-
1 бросаться
vgener. aanschieten (op-íà), afstuiven, patsen, stormen, toesteken (с ножом), vliegen, afspringen op (iem.) (к кому-л.), bespringen, losstormen (op-íà), nastuiven, op (iem.) losgaan (на кого-л.), toestuiven, zich storten, zich werpen -
2 не состояться
prepos.gener. achterwege blijven, afspringen (о делах, намерениях, планах и т.п.) -
3 отскакивать
vgener. afkaatsen, afketsen, afspringen, afstoten, afstuiten, losspringen, stuiten, afbotsen, afstotelijk, terugdeinzen, terugspringen -
4 прекращаться
vgener. afspringen, eindigen, nalaten, ophouden, overgaan -
5 соскакивать
vgener. afspringen, wippen, afwippen (van-ñ), neerspringen -
6 спрыгивать
vgener. afwippen, afspringen, neerspringen -
7 срываться
vgener. (на к-л, ч-л) afreageren (afreageren op (iemand, iets)), afscheuren, afspringen, afvliegen, ontsnappen (о крике)
Перевод: с русского на нидерландский
с нидерландского на русский- С нидерландского на:
- Русский
- С русского на:
- Нидерландский